Herinneringen van Jan Colly aan de Henricus Muntingschool te Groningen (ca 1956-1959)

Slechts 1 keer in mijn gehele loopbaan als scholier heb ik gespijbeld.
Dat was in klas 6 bij Kuperus.
Ik moest toen met mijn moeder mee naar Veendam. Daar was ziekte en zij moest daar de hele dag helpen.
Ik kon daarom niet naar school.
Toen wij 's avonds terug in Groningen overstapten van de Gado bus in de stadsbus zat er al iemand in die bus.
Dat was Kuperus.
Hij zij niets en wij ook niet.
Als wij, de jongens, het weer eens te bond maakten bij Kuperus, dan begon hij weer te emmeren over 'zijn' jongens uit Balkbrug.
Dat waren pas jongens. Heel gehoorzaam en zo.
Later bleek ons dat hij daar op een school voor geestelijk gestoorden had gezeten; als leraar.
Geschiedenis werd verteld aan de hand van een ring die werd gevolgd.
In de grijze oudheid bezat iemand die ring.
Die ring werd van vader op zoon door gegeven.
Dat waren dan telkens bekenden uit de vaderlandse geschiedenis.
Daar werd dan van alles over verteld.
Voor godsdienst kwam zo nu en dan een mevrouw.
Ze had een groot stoffen bord bij zich. Die werd voor het schoolbord geplaatst.
Ze had een doos vol met godsdienstige figuurtjes. Die waren uit vilt geknipt.
Die kon ze dan zo hier en daar op haar bord plakken.
Zo werd de godsdienstles een beetje levendig
We hebben de introductie van de schoolradio meegemaakt.
Er werd een plankje in de klas getimmerd.
Daarop werd 1 keer per week een draadomroep luidspreker gezet; zo een als we toen ook thuis hadden.
Ik kan me de inhoud van geen enkele uitzending herinneren.

Mijn handschrift was niet best. Dat van Bertus van Delden ook niet.
In de zesde klas, bij Kuperus, kregen Bertus en ik schrijfschriftjes uit de eerste klas.
Zo moesten wij ons handschrift weer wat verbeteren; als de rest iets voor zich zelf mocht doen.
We zijn een keer naar de bioscoop geweest met de klas.
Het was een poppenfilm in het Luxor theater in de Herestraat.
De moraal was dat geld niet gelukkig maakt of zoiets.
Na afloop mochten we op eigen gelegenheid naar huis.
Toen we buiten stonden bleek het dat we in een sneeuwstorm terecht waren gekomen.
De hele Herestraat was al onbegaanbaar.
We zijn soms tot kniehoogte door de sneeuw naar huis gelopen.
Een maal in de week (of was het 14 dagen?) gingen we naar het badhuis om te douchen.
De jongens gescheiden van de meisjes; zo hoorde dat.
Een boerendochter had dan een grote pot met groene zeep en een stok.
De stok werd door de zeep gehaald en je mocht dan de zeep weer van de stok halen.
Als afscheiding tussen de jongens- en de meisjes-ruimte was een houten schot
die niet helemaal tot de grond rijkte; dus....
Wij spaarden ergens voor.
Wie weet nog waarvoor wij spaarden?
Elke maandag moesten we een paar centen meenemen.
Voor elke cent kregen wij een zegeltje die op een spaarkaart werd geplakt.
Volle spaarkaarten moesten onder schooltijd ergens naartoe worden gebracht.
Ik weet niet meer waar naar toe.
Ik mocht dat een keer samen met Frans Kolbeek doen.
En ja hoor... we werden aangehouden door een agent.
Waarom wij aan het spijbelen waren!
Zelfs aan plezierige dingen kleefde wel een narigheidje.
Ik herinner mij een grote ruimte in de 'kelder' van de school.
Het was een soort schouwburg ruimte met een klein podium.
Op een gegeven moment mochten we van meester Kuperus speelgoed meenemen naar die kelder.
We konden daar dan tussen de middag mee spelen.
Dat heeft letterlijk maar 1 keer geduurd.
Enige kinderen hebben zodanig de beest uitgehangen dat het op dag 2 alweer voorbij was.
Wie weet dat ook nog?
En wie waren die kinderen? (ik denk dat ik er 1 van was maar misschien ook wel niet hoor!)
Vrijdagmiddag bij juf Staal:
Eerst een poosje 'dikke sommen' maken (zoals zij dat noemde).
Daarna ging ze voorlezen.
Mijn mooiste uurtje van de week.
We hadden een schooltuintje.
Ik deed dat samen met Gertie Tjemmes en Bertus van Delden.
Tuinkers hadden we verbouwd.
We gooiden daar paarde(n)stront op die we in mijn 'kar' ophaalden bij de sluizen.
Daar stond nl een paard.

Terug naar vorige pagina


Voor opmerkingen en aanvullingen, stuur een e-mail naar: Jan Colly